(Voer)Management tijdens de biggenopfok

zeugenvoer voor lacterende zeug met biggen

De zoogperiode is een essentiële fase in het leven van een varken. Gezien de jonge leeftijd van biggen tijdens deze periode, is het ook een erg kwetsbare periode binnen de varkenshouderij.

Misstappen in (voer)management kunnen grote gevolgen hebben voor de zeugenhouder, voor de afnemer van de biggen of zelfs voor de slachterij. Het is daarom belangrijk om het management in de zoogperiode de baas te zijn.

De basis

De basis voor goede, gezonde biggen begint al bij de zeug. Door zeugen tijdens de lactatie en dracht goed te managen, liggen vitale biggen binnen handbereik. Maar ook bij het management van de biggen, spelen veel factoren een rol die de prestaties van de big op latere leeftijd kunnen beïnvloeden.

Voeding van biggen in de kraamstal, is één van die factoren. Het begint al bij de biest, de eerste voeding die de biggen opnemen. Biest is essentieel voor de opbouw van immuniteit. Daarnaast fungeert het als energiebron, zodat de big kan groeien en zijn temperatuur kan reguleren. Ook zorgt biest voor de ontwikkeling van het maagdarmstelsel. Door de opname van biest wordt het maagdarmkanaal gestimuleerd en wordt de darmwand verder ontwikkeld. Zo kunnen de nutriënten uit de biest/melk opgenomen worden. Het is belangrijk dat alle biggen zo snel mogelijk biest opnemen, om optimaal van deze belangrijke eigenschappen gebruik te maken. De samenstelling van de biest is namelijk na 24 uur al sterk veranderd.

“Biest is essentieel”

Bijvoeren van biggen

Na biest gaan de biggen melk opnemen. Met name bij grote tomen is het mogelijk dat de grotere, sterkere biggen meer melk kunnen opnemen van betere kwaliteit dan hun kleinere toomgenoten. Het bijvoeren van de biggen kan dan raadzaam zijn. Maar ook bij minder grote tomen is het bijvoeren van biggen verstandig. Het bijvoeren zorgt ervoor dat de biggen extra energie kunnen opnemen, zonder dat dit ten koste gaat van de zeug. Hierdoor kan de zeug haar conditie sparen. Hierdoor herstelt ze sneller na de lactatie wat ten goede komt aan de volgende worp. De extra opgenomen energie verbetert ook de groei van de biggen. Daarnaast wennen biggen door het bijvoeren ook aan andere voeding dan melk. Het maagdarmstelsel van de big kan zich zo geleidelijk aanpassen aan het verteren van zetmeel en plantaardig eiwit in plaats van voornamelijk lactose en melkeiwit.

Voeropname

Helaas is het niet vanzelfsprekend dat alle biggen van het verstrekte voer gaan eten. De voeropname in de kraamstal varieert aanzienlijk tussen tomen en zelfs binnen een toom. Ten aanzien van het verhogen van de gemiddelde voeropname en het aantal eters binnen een toom geldt de volgende stelregel:

  • Vaak: Bij meer voerbeurten per dag worden de biggen vaker getriggerd om te eten.
  • Vers: Vers voer is smakelijk en draagt bij aan een hoge voeropname. Voer daarom beperkte porties.
  • Vroeg: Hoe jonger je met bijvoeren begint, hoe meer de biggen gewend zijn te eten aan het eind van de zoogperiode.

Hiervoor is het belangrijk dat de voerbakken goed bereikbaar en zichtbaar zijn. Daarnaast zijn schone voerbakken essentieel. Zo voorkom je dat de versie portie voer zijn kwaliteit verliest door resten van oudere porties. En ook voor biggen geldt “Zien eten, doet eten”. Bij voorkeur staat de voerkom dichtbij de kop van de zeug, zodat zeug en biggen tegelijk en op dezelfde plaats kunnen eten.

“Het maagdarmstelsel van de big moet zich geleidelijk aanpassen”

 

 

 

 

 Voersamenstelling

De samenstelling van het voer moet passen bij de jonge big. Zijn maagdarmstelsel is namelijk nog niet aangepast aan het verteren van ander voer dan zeugenmelk. Denk hierbij aan enzymproductie en een erg lage fermentatiecapaciteit. De enzymproductie van een big is nog vooral gericht op het verteren van lactose en melkeiwit. Wanneer de big ouder wordt, neemt de productie van amylase, protease en lipase toe. Dit zijn enzymen die gericht zijn op het verteren van zetmeel, (plantaardig) eiwit en vet. Zelfs rond spenen is de productie van deze enzymen nog niet optimaal ontwikkeld.

Door voer naast zeugenmelk aan te bieden, kan een big langzaam wennen aan deze voedingsstoffen. Daarnaast kan er via de samenstelling gestuurd worden op diverse doelen van de varkenshouder. Is je doel hoge speengewichten halen of moeten de tomen uniformer? Deze doelen vragen een andere voeraanpak. Maar bij elke aanpak moeten de voedingsstoffen vanuit goed opneembare grondstoffen komen, zodat het de dikke darm niet belast. De dikke darm is nog niet voldoende ontwikkeld. Daardoor vormen niet opgenomen voedingsstoffen uit de dunne darm een voedingsbodem voor pathogene bacteriën. Dit kan leiden tot diarreeproblemen.

Vaak heeft het voer een onbekende structuur en smaak. Hierdoor kunnen biggen terughoudend zijn in het opnemen van het voer. Door gebruik te maken van smakelijke grondstoffen kun je biggen verleiden om van het voer te eten. Ook helpt het als je het voer in vloeibare vorm of als papje verstrekt. Deze vorm is voor jonge biggen bekend. Hierdoor eten ze dit gemakkelijker.

Spenen

Door het voer qua smaak en samenstelling af te stemmen op het voer dat je na spenen gaat voeren, is de big al bekend hiermee. En, zo kun je een opnamedip rondom spenen verminderen/voorkomen. Het is de opnamedip die tijdens spenen vaak tot problemen leidt. De biggen ervaren stress door de gebeurtenissen rondom het spenen. Door deze stress zijn ze geneigd te stoppen met eten. Vooral wanneer je een nieuw soort voer aanbiedt dat ze niet kennen (nog meer stress), stoppen ze met eten.

Dit vasten leidt tot afbraak van de darmvilli. Na verloop van tijd krijgen de biggen honger en eten dan vaak extra veel. Maar de darm is nog beschadigd en kan deze stroom aan voedingsstoffen niet verwerken. Hierdoor komen deze onverteerd in de dikke darm terecht. Daar is het een substraat voor pathogene bacteriën met diarree als gevolg. Door tijdens deze moeilijke periode aantrekkelijk en herkenbaar voer te verstrekken, gaan de biggen makkelijker aan het eten. Ook stressvermindering in deze periode is cruciaal. Probeer minimaal biggen te mengen. Zorg voor een warme en droge omgeving en een goed lichtschema.

Dit is een globale weergave van het voermanagement van biggen tijdens de zoogperiode waarbij uitgegaan wordt van goed presterende zeugen met hoge biest- en melkgift. De punten die meer of minder aandacht behoeven zijn afhankelijk van uw eigen doelstellingen en omstandigheden op het bedrijf.

Meer weten over ons FortiGo 2.0 biggenconcept?