Afval levensmiddelen goed voer voor dieren

Al vele jaren zijn voerbestanddelen afkomstig uit de voedingsmiddelenindustrie niet meer weg te denken uit het rantsoen van rundvee, kippen en varkens. De inzet neemt verder toe, zeker door de omslag naar een meer kringloopgerichte landbouw die door LNV-minister Carola Schouten onlangs werd aangekondigd. (Tekst: Guus Queisen)

Artikel downloaden

In haar onlangs gepresenteerde visie over de toekomst van de Nederlandse landbouw is minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heel duidelijk. Er dient een omslag
te komen naar kringlooplandbouw. Niet het voortdurend verlagen van de kostprijs moet centraal staan, maar een verlaging van het verbruik van grondstoffen door een efficiëntere benutting van de kringlopen.

In een stelsel van kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen uit elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Zo zal het voerrantsoen op kringloopbedrijven (nog) meer rest- en bijproducten afkomstig uit de humane voedingsindustrie gaan bevatten. Momenteel bestaan de koeien-, varkens-, geiten- en kippenrantsoenen al voor een groot deel uit bestanddelen afkomstig uit de voedingsindustrie. Zo consumeerde de Nederlandse veestapel in 2017 5,5 miljoen ton vochtrijke veevoeders. De Nederlandse varkens vraten in 2017 2,9 miljoen ton aan vochtrijke voeders. De belangrijkste producten daarbij zijn tarwezetmeel, aardappelstoomschillen, weiproducten en tarwegistconcentraat.

De Nederlandse rundveehouderij nam afgelopen jaar 2,6 miljoen ton vochtrijke diervoeders af. Hier zijn de belangrijkste producten perspulp, bierbostel, aardappelpersvezels, tarwegistconcentraat en vers maïsglutenvoer. De totale hoeveelheid vochtrijke voedermiddelen komt overeen met bijna 1,3 miljoen ton mengvoeders.
Aardappelproducten, tarwegistconcentraat, perspulp, tarwezetmeel, bierbostel en wei zijn samen goed voor 90 procent van de afzet van vochtrijke diervoeders. De jaarlijkse omzet in de
vochtrijke veevoeders bedraagt circa 190 miljoen euro.
Dit is de gebruikswaarde die veehouders uiteindelijk voor de voerbestanddelen betalen. Daarnaast is sprake van circa 300.000 ton droge coproducten uit de Nederlandse levensmiddelenindustrie.

Concurrentie

Er gaan stemmen op in de veehouderijsector dat het aanbod van de vochtrijke diervoeders voor de veehouderij zou afnemen door mogelijke alternatieve aanwendingen ervan buiten de varkens- en rundveehouderijsectoren. Deze gedachten staat haaks op de praktijk. Zo is in de afgelopen tien jaar het aanbod van deze voeders toegenomen. In 2007 bedroeg het aanbod 4.825 miljoen ton. In de volgende tien jaar groeide dit gestaag naar de huidige 5.500 miljoen ton.

‘Continu zoeken producenten naar andere gebruiksmogelijkheden voor hun nevenstromen. Bijvoorbeeld op het vlak van farmacie, levensmiddelen of huisdiervoeders. Levert een nevenstroom bij een andere aanwending meer op, dan gaat het daarnaartoe’, zegt Wim Thielen, secretaris van de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).
De OPNV bevordert de toepassing van vochtrijke voedermiddelen die worden geproduceerd door de agro-, levensmiddelen- en fermentatie-industrie. Maar met alternatieve aanwendingsmogelijkheden loopt het nog niet zo’n vaart, volgens Thielen. ‘Als er in deze kanalen al alternatieven worden aangeboord, betreft het qua omvang veelal peanuts. In de praktijk is de afzet van de vochtrijke producten in de veehouderij nog steeds het interessantst.’

De vrees die leeft onder veehouders dat de biovergisters een potentiële concurrent worden op de markt van vochtrijke voedermiddelen, noemt Thielen ongegrond. ‘Exploitanten van biovergisters
willen producten met een hoog drogestofgehalte. De reststromen bevatten te veel vocht voor de vergisters.’ Volgens Thielen zou circa 3,5 miljoen ton vochtrijke diervoeders geschikt zijn voor de biovergisters. ‘De waarde hiervan ligt voor de biovergister tussen de 40 en 60 procent lager dan die voor de aanwending als diervoeder. Voor de fabrikanten betekent dit tussen de 70 miljoen tot 110 miljoen euro lagere opbrengst. Dus geen interessant afzetkanaal’, legt Thielen uit.

Wat de Nederlandse veehouders volgens hem juist in de kaart speelt, is het feit dat Nederlandse fabrikanten veel voor de export produceren. ‘Dit betekent een blijvend aanbod van nevenstromen.’
Een andere optie voor de fabrikanten is om de nevenproducten via droging geschikt te maken voor de mengvoederindustrie.
‘Dit is een optie voor circa 2 miljoen ton product. Maar uiteindelijk toch niet interessant. Want naast een inkomstenderving van tussen de 5 miljoen en 20 miljoen euro, komen deze producenten
van vochtrijke diervoeders ook in conflict met afspraken uit het energieconvenant. Door de vochtrijke diervoeders niet te drogen, behalen ze eerder hun CO2-doelstellingen’, legt Thielen uit.
‘De afzet van vochtrijke voedermiddelen naar de veehouder blijft dus onveranderd hoog, ook omdat deze bijdraagt aan duurzaamheid.’

Gangbare mengvoeders

Ook de gangbare mengvoeders bevatten veel reststromen. Uit de jaarcijfers van Agrifirm blijkt dat de helft van de grondstoffen voor de diervoeders die het bedrijf produceert afkomstig zijn uit
de reststromen van de levensmiddelenindustrie. Agrifirm gebruikt twee type reststromen: coproducten (restanten die overblijven bij de productie van bijvoorbeeld brood, koek, margarine, bier en
suiker) en restpartijen. In 2017 bestonden de melkveevoeders van de gehele internationale Agrifirmorganisatie voor 71,1 procent uit coproducten. Bij de legkippen betreft het 36 procent, bij varkens 32,1 procent en bij vleeskuikens 29,2 procent. Het aandeel coproducten in de voeders is bij de meeste diersoorten in 2017 hoger dan het voorgaande jaar, met uitzondering van vleeskuikens.

Agrifirm verwacht dat deze aandelen in een nog meer circulaire landbouw verder zullen groeien. Opvallend is dat Agrifirm sinds 2017 kalkkorrels afkomstig van de drinkwaterproductie door drinkwaterbedrijf Vitens door het legkippenvoer mengt. Dit is een duurzaam alternatief. Volgens Agrifirm hebben testen uitgewezen dat deze kalk geen gevolgen heeft voor de schaal- en eikwaliteit.

De inzet van reststromen in de veehouderij zal de komende jaren verder toenemen, vooral door de circulaire economie. Dat verwacht ook Karel van der Velden van voerproducent Nijsen/
Granico. ‘Met het oog op het voeden van de toenemende wereldbevolking, is nu de feed-fooddiscussie populair. Het gebruik van voedergranen voor dierlijke voeding is daarin een punt van discussie. Veel mengvoeders bestaan nog steeds voor twee derde deel uit granen.’ In Nederland is 80 procent van de geteelde granen bestemd voor diervoer en 20 procent voor humane consumptie. Wereldwijd is 45 procent voor diervoeren 55 procent voor menselijke consumptie,terwijl op 76 procent van de mondiale landbouwgronden gewassen worden geteeld voor dierlijke consumptie en op slechts 24 procent voor directe menselijke consumptie.

Stijgende prijzen

Reststroomproducten worden niet goedkoper, verwacht Van der Velden. Naast de prijs die wordt gevormd door vraag en aanbod van deze en andere voersoorten, vragen de producten ook
relatief veel handelings- en verwerkingskosten. Van ruim 100.000 ton snijresten, deegwaren, brood, snoep, koek en sauzen maakt Nijsen/Granico al tientallen jaren hoogwaardige grondstoffen
voor onder andere varkensvoeders en het Kipster-voer. Het totale aanbod aan deze restanten in Nederland omvat circa 260.000 ton.

‘Door deze manier van verwerken importeren we minder grondstoffen, gebruiken we minder landbouwgrond en verlagen we de CO2-uitstoot aanzienlijk. En het voeren van deze restanten
draagt bij aan een beter rendement voor varkensbedrijven en een lagere fosfaatproductie’, somt Van der Velden op. Volgens hem wordt op deze manier binnen Europa 3,5 miljoen ton aan
levensmiddelenrestanten tot diervoeder verwerkt. Omgerekend zorgt dit voor een besparing op de teelt van voertarwe van 350.000 tot 450.000 hectare. Als de Europese overheden de regels voor
het gebruik van deze voedingsstoffen in de veehouderij dusdanig aanpassen, is een verdubbeling van het gebruik van 7 miljoen ton aan levensmiddelenrestanten in 2025 mogelijk.
‘Daarnaast moeten de levensmiddelenfabrikanten de zekerheid hebben dat hun afgekeurde producten niet via een omweg toch op de markt komen’, onderstreept Van der Velden.

Meer weten over het aanbieden en inzetten van reststromen? Stel hieronder je vraag.


  • Bericht